Waarom dreigt er een enorme onteigening? Rob de Brouwer

Een van de gevolgen van de invoering van een nieuw pensioenstelsel is de volledige overgang van alle deelnemers en gepensioneerden van het oude naar het nieuwe stelsel. Men noemt dit met een gevoel voor romantiek “invaren” maar het heeft niets romantisch. Het betekent dat de aanspraken die over de jaren zijn opgebouwd moeten worden omgerekend naar de bijbehorende financiële middelen op individueel niveau. In gewone mensentaal: het vermogen van een pensioenfonds moet worden verdeeld over de individuele deelnemers en gepensioneerden. Want in het nieuwe stelsel heb je geen aanspraken meer. Je krijgt een persoonlijke pensioenrekening waarop de ingelegde premie en het rendement daarop worden bijgeschreven. En daaruit wordt vervolgens het pensioen betaald. De overgang van een kapitaaldekkingsstelsel naar een beschikbare premiestelsel in een notendop.

De standaardmethode die voor het invaren door het kabinet wordt aangereikt is gebaseerd op het financiële toetsingskader (ftk). De Minister geeft nog een alternatief, de vba-methode, maar die is zo ingewikkeld dat het onwaarschijnlijk is dat veel pensioenfondsen er gebruik van zullen maken.

Bij de standaardmethode wordt het totaal aan belegde middelen van een pensioenfonds verdeeld over deelnemers en gepensioneerden naar rato van de contante waarde van hun individuele aanspraken. Voor de berekening wordt gebruik gemaakt van de rentetermijnstructuur (rts). De rts is ontwikkeling van de rekenrente door de tijd. Het is een tamelijk vlak verlopende curve die voor looptijden tot tien jaar negatief is en vervolgens licht positief verloopt met een zeer geringe stijging over de tijd. Op het moment van schrijven is het gemiddelde van de curve, de gemiddelde rts 0,17%. Dat wil zeggen dat de waarde van de aanspraken die pas over 60 tot 70 jaar tot uitkering zullen leiden in de balans van vandaag nagenoeg hetzelfde is. Die zeer lage rts was er niet altijd. Vóór 2007 konden pensioenfondsen hun eigen rekenrente bepalen mits deze onder het maximum van 4% bleef. Bij invoering van de nieuwe Pensioenwet in 2007 werd de rts geïntroduceerd als verplichte rekenrente en verviel dit maximum. Daardoor werd in het eerste jaar zelfs de 5% aangetikt. Maar sinds de kredietcrisis en het ingrijpen van de Centrale Banken is de rts geleidelijk gedaald tot bijna nul en zelfs tot minder dan nul voor leningen korter dan tien jaar.

Wat is nu het effect van deze sterk gedaalde rts op de uitkomst van de waardering van de aanspraken en de vertaling naar het persoonlijke vermogen in het nieuwe stelsel? Ik gebruik de gepubliceerde jaarverslagen van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens om dit duidelijk te maken. Ik kijk daarbij alleen naar deelnemers en gepensioneerden en laat gewezen deelnemers (slapers) buiten beschouwing.

 

2005, aantallen 2005,  mln €* 2019, aantallen 2019, mln €*
deelnemers 11.512 (57%) 1.516 (41%) 9.832 (40%) 4.186 (52%)
Gepensioneerden 8.583 (43%) 2.156 (59%) 14.730 (60%) 3.792 (48%)
Totaal 20.095 (100%) 3.672 (100%) 24.662 (100%) 7.978 (100%)

*Dit zijn de waarden zoals vermeld in de balans, contant gemaakt tegen de discontovoet van dat moment.

 

Uit bovenstaande tabel blijkt duidelijk wat de effecten zijn van de geleidelijke rentedaling sinds 2007. Hoewel het aantal actieve deelnemers als percentage van het totaal sterk is teruggelopen van 57% naar 40% en hoewel met zekerheid gezegd kan worden dat de opgebouwde rechten van deze actieve deelnemers lager zullen zijn dan die van de gepensioneerden, is het aandeel dat in de balans toegewezen wordt aan de actieve deelnemers gestegen van 41% naar 52%.

Als in de periode 2005 tot en met 2019 de rekenrente gelijk zou zijn gebleven (3,7%) dan zou in de balans van 2019 bij benadering 74% van het totaal aan belegde middelen zijn toegewezen aan de gepensioneerden. Dat zou een bedrag van € 5.900 miljoen zijn terwijl als gevolg van de gedaalde rente dit bedrag nog maar krap € 3.800 miljoen is. De gezamenlijk groep gepensioneerden heeft door de gedaalde rente een bedrag van € 2.100 miljoen of 36% moeten overdragen aan de groep actieve deelnemers.

In deze vergelijking hanteren we de officiële discontovoet zowel in 2005 (3,7%) als in 2019 (rts, gemiddeld 0,7%). Maar het is natuurlijk veel eerlijker en rechtvaardiger als gerekend wordt met het rendement op de premie-inleg. In een vraag daarover aan Minister Wouter Koolmees antwoordt hij dat zo’n berekening niet zinvol, niet wenselijk en niet uitvoerbaar is. Hij legt een driedubbele barricade voor de meest logische, meest eerlijke en meest rechtvaardige toedeling. Omdat de werkelijke rendementen veel hoger zijn geweest dan de rts, zou een berekening op basis van werkelijke rendementen een hogere toerekening aan gepensioneerden opleveren dan een berekening op basis van 3,7% zoals hierboven werd uitgevoerd.

De nominale verplichtingen voor gepensioneerden bij het Pensioenfonds Hoogovens bedragen € 3.952 miljoen. Op basis van de huidige rts zou aan de gepensioneerden € 3.792 miljoen worden toegewezen, minder dan nodig om aan alle nominale verplichtingen te voldoen. Gepensioneerden zijn bij het Pensioenfonds Hoogovens cumulatief 20% indexatie misgelopen. Dat betekent dat een eenmalige inhaalindexatie zou leiden tot een verhoging van deze verplichtingen tot € 4.742 miljoen. Het is zonneklaar dat de toewijzing volgens de standaardmethode een gehele of gedeeltelijke inhaalindexatie onmogelijk maken. Het projectierendement in de uitkeringsfase, ook wel beschermingsrendement genoemd, schat ik op niet meer dan 1%, dus daar zal de indexatie ook niet van komen, hoogstens argumenten om niet vanaf het begin te gaan korten. Hanteren we echter een rekenrente van 3,7% dan krijgen de gepensioneerden € 5.900 miljoen toegewezen en zou tot inhaalindexatie kunnen worden overgegaan. En dan is er ook ruimte voor volledige indexatie, met nog steeds het magere beschermingsrendement als aanvulling.

Zo zie je hoe belangrijk het is om bij de verdeling van de vermogens van pensioenfondsen eerlijke uitgangspunten te hanteren en de beslissing niet te laten afhangen van de gebeurtenissen in de financieel gezien unieke periode 2008 tot heden. Als de rts van nu zou worden gebruikt om de vermogens te verdelen dan worden de gepensioneerden ernstig onderbedeeld maar wat problematischer is: het zal blijken dat deelnemers die hun pensioen nog opbouwen ernstig worden overbedeeld. Want op basis van de rts zouden actieve deelnemers € 4.186 miljoen krijgen toegewezen. Om aan de nominale verplichtingen te voldoen moet het fonds voor hen een rendement maken van 0,7% en bij een indexatie van 2% is slechts een rendement nodig van 2,7%. Omdat het projectierendement voor actieve deelnemers wordt vastgesteld op basis van een beleggingsmix met een relatief hoog aandeel zakelijke waarden zal het gemiddeld rendement aanzienlijk hoger liggen dan 2,7%. Zelfs de toch bepaald niet optimistische Commissie Dijsselbloem komt bij een mix van 60% aandelen, 20% onroerend goed en 20% vastrentende waarden tot een verwacht rendement voor de komende vijf jaar van 4,2%.

Samengevat: het nieuwe stelsel biedt de gepensioneerden bij het invaren volgens de standaardmethode niet meer dan een nominaal pensioen, geen uitzicht op indexatie en zeker geen inhaalindexatie. Voor actieve deelnemers, vooral voor de jongeren, biedt het nieuwe stelsel een nagenoeg zeker uitzicht op een volledig geïndexeerd pensioen. Dat kan nooit het resultaat zijn van een evenwichtige belangenafweging. Sterker nog: het is recht-toe-recht-aan een ernstige vorm van leeftijddiscriminatie.

Als de afgelopen jaren de discussie ging over de wenselijkheid om te werken met een hogere rekenrente hoorden we steeds weer van de zijde van de bewindslieden dat het geld eerst moest worden verdiend voordat het kan worden uitgegeven. Welnu, het geld voor de uitkeringen van gepensioneerden is verdiend. Ruim zelfs. De toekenning van het aan gepensioneerden toebehorend vermogen moet daarvan het bewijs zijn. Gaat dat niet gebeuren, en alles wijst erop dat de standaardmethode wordt opgelegd voor de invaarberekeningen, dan gaat de grootste naoorlogse onteigening in Nederland plaatsvinden.

Rob de Brouwer

22 augustus 2020