Stichting Pensioentribunaal in oprichting

De Stichting Pensioentribunaal stelt zich ten doel door middel van onderzoek, openbare vraagstelling, bijeenkomsten en publicaties voor een breed publiek duidelijk te maken welke belangen in de pensioenwereld en daarbuiten hebben geleid tot voorstellen voor een nieuw pensioenstelsel. Zij wil de campagne onder de loep nemen die geleid heeft tot regeringsvoorstellen en een pensioenakkoord waarbij “Het beste pensioenstelsel ter wereld” fundamenteel wordt gewijzigd, omdat dat niet meer zou voldoen aan de eisen van deze tijd. In dit onderzoek speelt een aantal belangrijke vragen een centrale rol:

  • Wie zijn de belangrijkste spelers en wat zijn hun posities en belangen?
  • In hoeverre is er plaats voor afwijkende opvattingen en theorieën bij de voorbereiding en besluitvorming van de bovengeschetste aanpassing van het stelsel?
  • De huidige lage rekenrente heeft enorme consequenties voor de deelnemers van pensioenfondsen en gepensioneerden. Het heeft ertoe geleid dat er voor jong en oud al meer dan tien jaar geen indexatie van pensioenen en pensioenaanspraken heeft plaatsgevonden. In een open brief met een goede onderbouwing, pleit een groep van drie-en-veertig economen en prominenten ervoor om bij de berekening van de dekkingsgraden van pensioenfondsen een hogere rekenrente te gebruiken. Hierdoor wordt deze rekenrente gelijk aan die welke bij de premieberekening wordt gebruikt en kan er weer indexatie gegeven worden. Op basis van een onjuiste onderbouwing, wordt dit pleidooi binnen twee dagen tegengesproken in een opinieartikel van tien hoogleraren. Is hier sprake van verschil in inzichten of van een verschil in belangen?
  • Welke belangen zijn er in het geding bij het vasthouden aan de risicovrije rente in het bestaande stelsel?
  • De beleggingen van de Nederlandse pensioenfondsen herbergen een enorm vermogen. De regelgeving en het toezicht met betrekking tot dit vermogen worden gedomineerd door enkele hoofdrolspelers. Hoe kan het zijn dat die beweren dat het huidige pensioen gegarandeerd is, terwijl dit noch in de Pensioenwet noch in enige regelgeving vastligt?
  • Er zijn mensen, met veel invloed op de richting van vernieuwing van het pensioenstelsel, die de opvatting uitdragen dat pensioenfondsen risico’s dragen voor eigen rekening. Dit is vreemd omdat pensioenfondsen stichtingen zijn waarvan het vermogen alleen en uitsluitend bestemd is om de aanspraken van deelnemers en gepensioneerden na te komen. Daarom lopen alleen de deelnemers en de gepensioneerden risico’s, maar niet de pensioenfondsen. Dit aspect is van groot belang bij beoordeling van de verenigbaarheid van de Nederlandse wetgeving met de Europese richtlijnen. Moet de juistheid van die opvatting niet worden beoordeeld?
  • Waarom wijkt Nederland als enige land in Europa af van de Europese Richtlijnen met betrekking tot pensioenen en welke belangen spelen hierbij een rol?
  • Wie heeft financieel belang bij de voorgestelde wijziging van het pensioenstelsel en waarom is het huidige pensioenstelsel onhoudbaar?
  • Waarom kan een aanpassing van de rekenrente niet met terugwerkende kracht worden ingevoerd zodat alle deelnemers en gepensioneerden die zo te lijden hebben gehad onder de steeds verder dalende en door de Europese centrale Bank gemanipuleerde rekenrente alsnog krijgen wat hen toekomt?
  • Wie heeft de modellen van het CPB opgesteld en de veronderstellingen waarop ze zijn gebaseerd gedicteerd?
  • Een pensioenfonds moet te allen tijde over voldoende middelen beschikken om aan haar nominale verplichtingen te voldoen. Waarom wordt er dan bij studies van bijvoorbeeld het CPB van uitgegaan dat een pensioenfonds middelen moet reserveren om aan mogelijke verplichtingen te voldoen voor toekomstige deelnemers, die nog niet aan het arbeidsproces deelnemen?

Betreft oprichting Stichting Pensioentribunaal                                                                                                               30 juni 2020

Medio mei is het initiatief ontstaan bij het actiecomité “Red het Pensioenstelsel” en de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen om onderzoek te doen naar de personen, instellingen en belangen die een belangrijke rol spelen in het beïnvloeden van de besluitvorming binnen en rond pensioenfondsen.

In 2010 is in het rapport “Een sterke tweede pijler” door de Commissie Goudswaard een aantal aanbevelingen gedaan over een toekomstbestendig stelsel van het aanvullend pensioen.. Al eerder dat jaar waren door de Commissie Frijns in het rapport “Onzekere zekerheid” aanbevelingen gedaan voor aanpassing.

Nu na tien jaar lijkt het erop dat er overeenstemming wordt bereikt over aanpassingen van ons pensioenstelsel. In de voorstellen worden enige belangrijke wijzigingen doorgevoerd zoals de mogelijkheid om 10% van het gespaarde vermogen ineens op te nemen en het oplossen van de vermeende problematiek van de doorsneepremie. De wijzigingen zijn een concessie aan de druk tot individualisering van het stelsel maar tasten op zichzelf de essentie van het huidige stelsel nog niet aan. Het kan passen in wat het stelsel in feite nu nog is: een onderdeel van de arbeidsvoorwaarden om bij pensionering een aanvulling op de AOW-uitkering te realiseren door de inleg van een premie en het rendement daarop, verkregen door collectief te beleggen.

Maar de voorstellen gaan veel verder. Het bestaande stelsel wordt zodanig gewijzigd dat het een nieuwe, gevaarlijke vorm krijgt: een persoonlijk pensioenvermogen dat collectief wordt belegd en dat bij het bereiken van de pensioenleeftijd wordt omgezet in een levenslange uitkering die bij meevallers kan stijgen en bij tegenvallers kan dalen. Hiermee wordt het neoliberale gedachtengoed binnengehaald immers de uitkering wordt afhankelijk van korte termijn resultaten op lange termijn beleggingen. De rust die het pensioen kende omdat het in principe stabiel was met onder voorwaarden een aanpassing aan de prijsontwikkeling dreigt te veranderen in een jaarlijkse onrust over wat er nu weer met de uitkering gaat gebeuren. Korte termijn bewegingen kunnen bruusk zijn, zoals bijvoorbeeld in 2008, toen pensioenfondsen meer dan 20% van de waarde van het belegde vermogen moesten inleveren. Het jaar daarop was dit verlies grotendeels gecompenseerd. In het huidige stelsel merken gepensioneerden en deelnemers daar niets van, in dit nieuwe neoliberale stelsel beweegt het pensioen echter mee met de korte termijn bewegingen van de financiële markten. Terwijl de essentie van het huidige stelsel wordt bevestigd:

  • alle risico’s liggen bij deelnemers en gepensioneerden:
  • de uitkeringen worden gefinancierd uit het vermogen van pensioenfondsen en deze fondsen beleggen de ingelegde premies met een zeker risico en dat kan meevallen of tegenvallen;
  • pensioenfondsen hebben geen andere inkomstenbronnen dan de premie en het resultaat op de belegde middelen; dus kan ook de uiteindelijke uitkering tegenvallen of meevallen;
  • de premies worden berekend op basis van een verwachte uitkering en een verwacht rendement;
  • als het verwachte rendement wordt gerealiseerd kan de verwachte uitkering worden waargemaakt;
  • eventuele indexatie, in de opbouw- zowel als in de uitkeringsfase, moet worden geput uit overrendementen.

Kortom: wij zijn tien jaar verder, tien jaar waarin de uitkeringen en aanspraken niet zijn aangepast aan de prijsontwikkeling, tien jaar waarin zelfs bij sommige grote en kleine

fondsen kortingen zijn doorgevoerd terwijl in diezelfde tien jaar de waarde van de belegde middelen meer dan verdubbelde. Het resultaat is dat het stelsel nog steeds uitgaat van dezelfde uitgangspunten, maar moet worden aangepast om het marktdenken en de daarbij passende onzekerheid ook bij het aanvullend pensioen in te voeren. Blijkens berekeningen is de verbetering op korte termijn marginaal en op langere termijn zien we zelfs een verslechtering. Terwijl de oplossing voor de hand ligt: aanpassing van de rekenrente voor de berekening van de dekkingsgraad aan het verwachte rendement waar de premie mee wordt berekend.

De Stichting Pensioentribunaal stelt zich ten doel door middel van onderzoek, openbare vraagstelling, bijeenkomsten en publicaties voor een breed publiek duidelijk te maken welke belangen in de pensioenwereld en daarbuiten hebben geleid tot voorstellen voor een nieuw pensioenstelsel. Zij wil de campagne onder de loep nemen die geleid heeft tot regeringsvoorstellen en een pensioenakkoord waarbij “Het beste pensioenstelsel ter wereld” fundamenteel wordt gewijzigd, omdat dat niet meer zou voldoen aan de eisen van deze tijd. In dit onderzoek speelt een aantal belangrijke vragen een centrale rol:

  • Wie zijn de belangrijkste spelers en wat zijn hun posities en belangen?
  • In hoeverre is er plaats voor afwijkende opvattingen en theorieën bij de voorbereiding en besluitvorming van de bovengeschetste aanpassing van het stelsel?
  • De huidige lage rekenrente heeft enorme consequenties voor de deelnemers van pensioenfondsen en gepensioneerden. Het heeft ertoe geleid dat er voor jong en oud al meer dan tien jaar geen indexatie van pensioenen en pensioenaanspraken heeft plaatsgevonden. In een open brief met een goede onderbouwing, pleit een groep van drie-en-veertig economen en prominenten ervoor om bij de berekening van de dekkingsgraden van pensioenfondsen een hogere rekenrente te gebruiken. Hierdoor wordt deze rekenrente gelijk aan die welke bij de premieberekening wordt gebruikt en kan er weer indexatie gegeven worden. Op basis van een onjuiste onderbouwing, wordt dit pleidooi binnen twee dagen tegengesproken in een opinieartikel van tien hoogleraren. Is hier sprake van verschil in inzichten of van een verschil in belangen?
  • Welke belangen zijn er in het geding bij het vasthouden aan de risicovrije rente in het bestaande stelsel?
  • De beleggingen van de Nederlandse pensioenfondsen herbergen een enorm vermogen. De regelgeving en het toezicht met betrekking tot dit vermogen worden gedomineerd door enkele hoofdrolspelers. Hoe kan het zijn dat die beweren dat het huidige pensioen gegarandeerd is, terwijl dit noch in de Pensioenwet noch in enige regelgeving vastligt?
  • Er zijn mensen, met veel invloed op de richting van vernieuwing van het pensioenstelsel, die de opvatting uitdragen dat pensioenfondsen risico’s dragen voor eigen rekening. Dit is vreemd omdat pensioenfondsen stichtingen zijn waarvan het vermogen alleen en uitsluitend bestemd is om de aanspraken van deelnemers en gepensioneerden na te komen. Daarom lopen alleen de deelnemers en de gepensioneerden risico’s, maar niet de pensioenfondsen. Dit aspect is van groot belang bij beoordeling van de verenigbaarheid van de Nederlandse wetgeving met de Europese richtlijnen. Moet de juistheid van die opvatting niet worden beoordeeld?
  • Waarom wijkt Nederland als enige land in Europa af van de Europese Richtlijnen met betrekking tot pensioenen en welke belangen spelen hierbij een rol?
  • Wie heeft financieel belang bij de voorgestelde wijziging van het pensioenstelsel en waarom is het huidige pensioenstelsel onhoudbaar?
  • Waarom kan een aanpassing van de rekenrente niet met terugwerkende kracht worden ingevoerd zodat alle deelnemers en gepensioneerden die zo te lijden hebben gehad onder de steeds verder dalende en door de Europese centrale Bank gemanipuleerde rekenrente alsnog krijgen wat hen toekomt?
  • Wie heeft de modellen van het CPB opgesteld en de veronderstellingen waarop ze zijn gebaseerd gedicteerd?
  • Een pensioenfonds moet te allen tijde over voldoende middelen beschikken om aan haar nominale verplichtingen te voldoen. Waarom wordt er dan bij studies van bijvoorbeeld het CPB van uitgegaan dat een pensioenfonds middelen moet reserveren om aan mogelijke verplichtingen te voldoen voor toekomstige deelnemers, die nog niet aan het arbeidsproces deelnemen?

Aan de hand van bovenstaand persbericht staan wij klaar voor een interview dat kan uitmonden in een ANP-bericht bij het starten van ons initiatief.

Stichting Het Pensioentribunaal

Voor nadere informatie: Jan Ilsink 06 40 57 01 55 jan.ilsink@ziggo.n1