Vragen aan volksvertegenwoordigers

Een van de actiemiddelen die Verontruste Ouderen gebruikt is het stellen van vragen aan volksvertegenwoordigers. We zullen vanaf nu regelmatig zo’n per email gestelde vraag hier publiceren.

Van: Holke Flapper
Datum: 21 juni 2017 om 12:26
Onderwerp: pensioenroof
Aan: “Dr. P.H. (Pieter) Omtzigt” <p.omtzigt@tweedekamer.nl>

Beste Pieter,

Zoals al eerder gezegd achten wij jou een van de weinige parlementariërs, die zich actief met de pensioenen bezig houdt en er met verstand van zaken over kan praten.
Weliswaar wordt ook door jou het echte probleem niet ter discussie gesteld, althans zeker niet voor iedereen zichtbaar. De rol van de ECB is duidelijk en niet door een Nederlands parlementslid te veranderen.

Wat zeker zo belangrijk is is de discussie omtrent de rekenrente, de dreigende kortingen, het uitblijven van indexering en de voortdurende stroom misleidende berichten die over het Nederlandse publiek worden uitgestort.
Je hebt destijds vragen gesteld aan staatssecretaris Klijnsma over de verdwenen pensioen miljarden.
Mogelijk kan het artikel dat onder ingevoegde link is te vinden een antwoord op die vraag zijn.
Wat ons verbaasd is dat deze kennis zeker in parlementaire kring bekend moet zijn en we vragen ons dan ook af of, gezien de pensioenroof onder CDA bewind plaatsvond, er hier sprake is van windowdressing.

https://cooperatiedevrijemedia.nl/2017/06/werkgevers-en-rijk-profiteren-van-gedoe-met-pensioenen/

Namens de Verontruste Ouderen:

​Holke J.M.Flapper

Pensioenroof

Onder de titel “Pensioenroof” schreef John Bakker een e-mail naar Ad Broere, vermaard pensioendeskundige. Lees hier wat John Bakker aan Ad Broere schreef en wat het antwoord daarop was.

========================================================

Op 16 juni 2017 om 21:34 schreef John Bakker :

Geachte heer Broere,

Na lezing van uw stukken en van anderen heb ik bijgevoegde mails naar alle fracties gestuurd. Het ontvangen van reacties duurt heel wat langer dan het rood maken van een hokje op het stembiljet. Ik heb ook het ABP om een toelichting gevraagd.

Het zou me wel wat lijken om een procedure tegen de Staat te voeren wegens diefstal van een deel van mijn pensioen. Men verschuilt zich achter instemming van de Tweee Kamer destijds. Maar in oorlogstijd worden er wel meer wetten aangenomen waar achteraf beschouwd een luchtje aan zat. Er zijn ook niets voor niets zoveel parlementaire enquêtes om te onderzoeken wat mis is gegaan.

Inmiddels iets vernomen van 50Plus( hr van Rooijen), en van SGP.

Met vriendelijke groet,
John Bakker

En het antwoord:
Van: Ad Broere
Datum: 16 juni 2017 om 22:55
Onderwerp: Re: Pensioenroof

Geachte heer Bakker,

Deze pensioenroof is ernstig. Ook de verlaging van het werkgeversdeel in de pensioenpremies in de jaren 90 tot het eerste decennium van 2000, omdat de dekkingsgraad zeer comfortabel leek te zijn, is een weggeschoven feit. De verlaging van de pensioenpremies, in het bijzonder van het werkgeversdeel gaat in deze tijd echter onverminderd door, omdat de premies bij de huidige lage rekenrente sterk omhoog zouden moeten gaan. Dit gebeurt niet om het rendement van ondernemingen en de concurrentiepositie van Nederland tov het buitenland niet onder druk te zetten, En wie zijn hiervan de dupe? Juist, de gepensioneerden, want de reserves die zij hebben opgebouwd worden gebruikt om de premies zo laag mogelijk te houden. Dit is zo mogelijk nog schandelijker dan de pensioenroof onder Lubbers en Ruding. Door de lage rekenrente en de daaruit volgende te lage dekkingsgraad worden de pensioenen niet geïndexeerd. Door niet te indexeren kunnen de pensioenpremies – relatief – laag worden gehouden, omdat er meer dan voldoende in ‘de pot’ zit. Gepensioneerden worden dus niet gesubsidieerd door de nu werkenden, het is precies andersom, de nu gepensioneerden subsidiëren de nu werkenden. Omdat de premies in een collectieve pot zijn gestort, is het niet duidelijk welk kapitaal er exact voor u en andere gepensioneerden is opgebouwd. Met behulp van de beschikbare computerprogramma’s kan dat echter met terugwerkende kracht alsnog worden gedaan. Ik hoop u hiermee bruikbare tools in handen te hebben gegeven.

Vriendelijke groet,

Ad Broere

Graag wijzen we de lezer ook op een artikel van de hand van Ad Broere dat over dezelfde materie gaat:

Middeldure huur: ook een taak voor corporaties?

15 mei 2017

De afgelopen maanden was het volop in het nieuws. De middeninkomens raken in de knel omdat ze te weinig verdienen om een woning te kopen, maar teveel voor de sociale huur. Er is een groot tekort aan middeldure huurwoningen; door de crisis is jarenlang (veel) te weinig bijgebouwd. Daar komt bij dat woningcorporaties, die in het verleden regelmatig middeldure huurwoningen ontwikkelden, sinds de nieuwe Woningwet min of meer buitenspel zijn gezet.

Is er een taak voor corporaties in de middeldure huur weggelegd? En als Den Haag dat vindt, wat moet er dan qua regelgeving gebeuren? Zoals bekend is de Woningwet per 1 juli 2015 aanzienlijk verscherpt. Voor commerciële activiteiten is toestemming van de Autoriteit Woningcorporaties vereist. Hoewel begrijpelijk na de misstanden in de sector reikt de regel (te) ver.

Het ontwikkelen van middeldure huur is volgens de rijksoverheid ook een commerciële activiteit. Wil een corporatie een paar woningen in de vrije sector bouwen, dan heeft ze toestemming nodig. Die toestemming krijgt de corporatie pas na het doorlopen van een tijdrovende procedure. Daarvoor moet de corporatie, met medewerking van de gemeente en het WSW, de markttoets, de financiële toets en de rendementstoets doorlopen. In de praktijk blijkt dat lang niet alle gemeenten daar tijd en energie in willen steken. Zonder markttoets kan de corporatie de toestemming vergeten. Het plan strandt dan direct. In de praktijk blijken er nauwelijks markttoetsen te worden uitgevoerd.

Na bijna twee jaar verscherpte wetgeving kunnen we concluderen dat zowel gemeenten als corporaties geen zin hebben in deze bureaucratische procedure en dat veel corporaties zich alleen nog maar willen toeleggen op het ontwikkelen van sociale woningbouw. Daar is immers geen toestemming voor nodig en biedt de corporatie nog toegevoegde waarde.

Interessant is daarom de vraag wat er zou gebeuren als het administratieve struikelblok wordt opgelost. Gaan corporaties meer middeldure huur bouwen als er in het Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting komt te staan dat toestemming niet is vereist voor de ontwikkeling van middeldure huur? Dit is eenvoudig te regelen, maar zou dit ook het tekort oplossen of zijn er nog andere redenen waarom corporaties zich hier niet (meer) op toeleggen?

Uiteraard hoor ik graag of u het gesprek hierover verder wil aangaan.

Eelkje van de Kuilen,
partner bij AKD advocaten, notarissen en belastingadviseurs

10 Kansen voor middenhuur

15 juni 2017

Onderzoekers, adviesbureaus, belangenvertegenwoordigers, politici en lokale beleidsmakers zijn het erover eens: er zijn veel meer huurwoningen in het middensegment nodig. Tegelijkertijd is duidelijk dat het bouwen van middeldure huurwoningen niet vanzelf gaat. Ondanks een waarneembaar stijgende vraag, komt de realisatie maar moeizaam van de grond. Dat is jammer, want voor een goed functionerende woningmarkt is een vitaal middensegment van grote betekenis. De vraag is hoe we het aanbod van middeldure huurwoningen kunnen vergroten.

De ongelijkzijdige driehoek

Gemeenten, marktpartijen/beleggers en woningcorporaties spelen een bepalende rol bij de realisatie van huurwoningen in het middensegment op de woningmarkt. Zij hebben echter gebrekkig zicht op elkaars (on)mogelijkheden en rollen, die bovendien met de invoering van de nieuwe Woningwet in 2015 zijn veranderd. In de onderstaande driehoek geeft de dikte van de pijlen de intensiteit van de onderlinge relaties aan: in (jarenlange) contacten, in inzicht in motieven en bekendheid in werkwijzen, in afspraken en beleidsteksten. De driehoek is bepaald onevenwichtig te noemen. De figuur laat zien dat vooral versterking van relaties tussen gemeenten en marktpartijen en tussen corporaties en marktpartijen nodig is om het aanbod van middenhuur te stimuleren.

Particuliere of markthuur als het ondergeschoven kindje

Er zijn drie ‘smaken’ op de Nederlandse woningmarkt: je koopt een huis (dat doet circa 58%) je huurt bij een corporatie (circa 32%) of je huurt particulier. Met bijna tien procent is de laatste smaak duidelijk het ondergeschoven kindje, terwijl het in de jaren vijftig nog de grootste sector was, zie figuur 2. Sinds de Tweede Wereldoorlog werden beleidsmatig zowel de sociale huursector gesteund (met goedkope leningen, goedkope grondprijzen, huursubsidies) als de koopsector (hypotheekaftrek), maar de particuliere huursector niet. Het gevolg was dat de particuliere huursector in de na-oorlogse jaren steeds verder marginaliseerde. Onder invloed van het kabinetsbeleid van Rutte-II en minister Blok is hierin overigens wel een kentering opgetreden, maar het aandeel van de particuliere huursector is nog steeds aanzienlijk kleiner dan midden jaren 80 en daarvoor.

Figuur 2. Bron: PBL, 2017; Elsinga & Wassenberg, 2014

De particuliere huursector wordt wel beschouwd als ‘smeerolie’ op de woningmarkt, maar dan moet de bus met olie wel voldoende groot zijn. Woningzoekenden vallen anders al gauw tussen wal en schip: spoedzoekers kunnen niet terecht, mensen die geen tijd hebben om eerst jarenlang op een wachtlijst te staan, of te sparen voor een huis, mensen die te veel verdienen voor een sociale huurwoning en te weinig voor een koophuis, mensen met een onzeker toekomstperspectief, met tijdelijke arbeids- of studiecontracten, of mensen die zich voor plotselinge gebeurtenissen gesteld zien, zoals een scheiding. RIGO heeft de groep die tussen wal en schip valt en is aangewezen is op het middeldure huursegment becijferd op ruim 500.000 huishoudens. Een belangrijk deel daarvan (ca. 43%) huurt momenteel een woning in de gereguleerde sector. Daarnaast is er een groep van ca. 280.000 huurders met een inkomen boven de inkomensgrens van de sociale doelgroep (EU-grens van € 40.000,=) die wel kunnen kopen, maar wil (blijven) huren. In andere Europese landen kan deze groep dikwijls terecht in de particuliere huursector, maar in Nederland schiet dit aanbod tekort.

Het tekort aan middenhuur in beeld

Woningmarkten in het algemeen en de Nederlandse in het bijzonder, zijn vanuit economisch perspectief een wonderlijk fenomeen. Eigenlijk is het geen echte markt. Op een echte markt zoeken vraag en aanbod elkaar. Er wordt geleverd waar de meeste vraag naar is. De woningmarkt functioneert anders. Figuur 3 laat dat zien. Links zien we de inkomensverdeling, schematisch weergegeven. In het middelste plaatje staat de woningmarkt zoals die geldt voor steden als Leiden, Amsterdam of Utrecht. Met veel goedkope (vaak sociale huur-) woningen, of dure (vaak koop-) woningen. De groep middeldure (vaak particuliere huur-) woningen is klein. In het rechterplaatje staan ze over elkaar getekend. Het tekort aan middeldure (huur-)woningen is in een oogopslag zichtbaar.

Figuur 3. De wonderlijke Nederlandse woningmarkt

Tien kansen voor meer middenhuur

Hoe zorg je voor meer middenhuurwoningen, niet alleen maar wel vooral in het particuliere (markt) segment? Daarvoor zijn veel mogelijkheden. De crux is gelegen in een goede samenwerking in de eerder genoemde driehoek gemeenten-woningcorporaties-marktpartijen/beleggers. Iedere partij kan bijdragen aan het verruimen van het aanbod. Alleen wanneer de genoemde partijen bereid zijn rekening te houden met elkaars belangen, kunnen de te maken afspraken ertoe leiden dat het gezamenlijke resultaat meer wordt dan 1+1+1.

We zetten een aantal mogelijkheden op een rij:

  1. Meer middeldure huurwoningen bouwen. Een goede optie. De doorlooptijd ervan is echter lang, dus levert pas op middellange termijn verlichting op. Beleggers klagen dat potentiële bouwlocaties worden weggeconcurreerd door de fiscaal gesubsidieerde koopsector, of gereserveerd worden voor de eveneens gesubsidieerde sociale huursector. Beleggers vangen daardoor vaak bot. Het is niet voor niets dat jaarlijks blijkt dat “er weliswaar ettelijke miljarden beschikbaar zijn, maar dat die telkenjare niet worden besteed” (zie bijv. Capital Value). Maar er zijn wel degelijk mogelijkheden wanneer gemeenten bereid zijn op korte termijn met een kleinere grondopbrengst genoegen te nemen en beleggers bereid zijn afspraken te maken over een terugbetalingsregeling bij voortijdig uitponden.
  2. Meer verbouwen en transformeren. Ook daar liggen kansen, want nog steeds staan veel kantoren en ander vastgoed leeg. Niet alle panden zijn natuurlijk geschikt, maar wel veel meer dan er nu worden verbouwd. Volgens het CBS zijn er in de periode 2011-2015 door transformatie 26.000 woningen bijgekomen, in alle drie de marktsegmenten. Dat zijn (nog) bescheiden aantallen, waar best nog wel een tandje bij kan.
  3. Verkoop van sociale huurwoningen. Beleggers staan in de rij, maar de jaarlijks verkochte aantallen woningen zijn relatief bescheiden. Corporaties willen niet verkopen, want ook de druk op het sociale huursegment is groot en neemt toe. Toch liggen hier mogelijkheden wanneer gemeenten corporaties ruimte bieden om sociale huurwoningen toe te voegen en tegelijkertijd afspraken maken over het aantal te liberaliseren duurdere sociale huurwoningen. De te verkopen woningen worden overgenomen door beleggers. Het mes snijdt nu aan drie kanten: Het aantal sociale huurwoningen blijft op peil, tegelijkertijd worden middeldure huurwoningen aan de voorraad toegevoegd en beleggersvermogen wordt in de woningmarkt geïnvesteerd. Bij de verkoop kunnen corporatie en belegger afspraken maken over een geleidelijk prijsontwikkeling voor een bepaalde periode.
  4. Huurliberalisatie in combinatie met toevoeging van sociale huurwoningen. Deze variant lijkt op de hierboven genoemde beleidsoptie, met het verschil dat de geliberaliseerde huurwoningen in beheer blijven bij de corporatie (in jargon: ze worden overgeheveld naar de niet-DAEB tak). Desgewenst maken gemeente en corporatie afspraken over het extra toevoegen van sociale huurwoningen om de afname te compenseren; ook de vraag naar betaalbare woningen is immers groot.
  5. Corporaties ontwikkelen samen met beleggers woning(ver)bouwplannen. Hier is nog veel te winnen. Dat corporaties en beleggende marktpartijen elkaar weten te vinden, is geen automatisme, zie figuur 1. Gelukkig zijn er steeds meer goede voorbeelden van. Bijvoorbeeld wanneer een complex met een gemengde bouwopgave van sociale én commerciële huurwoningen gezamenlijk wordt ontwikkeld. Of wanneer gemeente, corporatie(s), ontwikkelaars en beleggers gezamenlijk de schouders zetten onder de herstructurering van een buurt.
  6. Onderlinge relaties versterken en samenwerking bevorderen, met andere woorden: de driehoeksrelatie evenwichtiger maken. Gemeenten kunnen hierin het initiatief nemen en gebruik maken van beschikbare initiatieven. Zo organiseert Platform31 onder de titel ‘Investeerders in de stad’, oriënterende lokale bijeenkomsten om partijen nader bij elkaar te brengen en kansen te verkennen. Wanneer doorbraken geforceerd moeten worden in lokale probleemdossiers kunnen gemeenten gebruik maken van de door het Rijk georganiseerde ‘samenwerkingstafels’, onder leiding van voormalig burgemeester Rob van Gijzel.
  7. Prestatieafspraken maken. Gemeenten en beleggers kunnen concrete afspraken maken over woningtypes en – grootte, over maximale huurhoogten, over een minimale exploitatietermijn en een vergoedingsregeling bij uitponden, in ruil voor een lagere grond- of pandprijs. In combinatie met een huisvestingsverordening zijn met corporaties afspraken over doorstroming te maken. Zie bijvoorbeeld in Amsterdam waar de gemeente recent het Actieplan Meer middeldure Huur heeft gepresenteerd en in het verlengde hiervan met corporaties en marktpartijen afspraken wil maken, gebruikmakend van het erfpachtstelsel. Ook een ‘package deal’ van een aantrekkelijke ontwikkellocatie in combinatie met een minder voor de hand liggende plek (zogenaamde. bouwenvelop) is mogelijk.
  8. Het stimuleren van gewenste ontwikkelingen: bijvoorbeeld een financiële prikkel voor partijen die leegstaand vastgoed herontwikkelen tot energiezuinige woningen (middels bijvoorbeeld verlaging van de verhuurderheffing of fiscale vrijstelling). Een variant is een regelluwe zone. De gemeente kan dan onder voorwaarden panden of plekken aanwijzen waar de markt, zonder dwang van WWS of puntengrens, naar eigen inzicht kan ontwikkelen, of liever nog: herontwikkelen.
  9. Door het instellen van fiscale prikkels en/of het gericht inzetten van de verhuurderheffing. Bijvoorbeeld voor partijen die leegstaand vastgoed herontwikkelen tot energiezuinige woningen een financiële prikkel te geven (korting verhuurderheffing). Of middels fiscale voordelen voor een tweede huis als verhuurpand, zoals in ons omringende landen (Frankrijk, Engeland, Scandinavië) gebeurt (Buy to Let).
  10. Door corporaties in gebieden die voor marktpartijen (nog) niet aantrekkelijk zijn, meer ruimte te bieden om te investeren in woningen boven de liberalisatiegrens. Bijvoorbeeld door in die aangewezen gebieden de markttoets gedurende een tijdvak van enkele jaren buiten werking te stellen. Dit kan leiden tot meer en snellere woningdifferentiatie in achterstandswijken.

Dit is geen limitatieve opsomming. Er zijn nog meer mogelijkheden te bedenken. Platform31 werkt aan versterking van het middenhuursegment en werkt graag samen met alle partijen die bovenstaande en andere mogelijkheden willen verkennen, benoemen, beproeven en uitvoeren.

Dit artikel is geschreven door Fons Lustenhouwer en Frank Wassenberg.

 

Zorgbestuurder houdt ‘graailoon’

Bestuurders in de ouderen- en thuiszorg hebben de laatste kans gepakt om hun topinkomens te behouden. In het laatste jaar voordat ze moeten inleveren is hun salaris niet gedaald. 

Koen Voskuil 10-06-17, 03:00 Laatste update: 08:17 

Dat blijkt uit de Actiz 50, een onderzoek van FNV naar de zorgjaarverslagen van 2016. De 50 meest verdienende bestuurders in de ouderen- en thuiszorg verdienden vorig jaar allemaal meer dan een minister (179.000 euro). Wim Driessen van Zorggroep CuraMare uit Dirksland spant de kroon: dankzij een ontslagvergoeding van 186.000 euro streek hij ruim 406.000 euro op. 

Het hoogste reguliere salaris ging naar bestuursvoorzitter Eelco Damen van de Amsterdamse zorgorganisatie Cordaan. Terwijl zijn personeelsbestand met 16,7 procent moest inkrimpen, verdiende hij vorig jaar 290.051 euro. Daarmee leverde hij 13 euro in ten opzichte van 2015.

Loopbaantraject

De Zwolse zorggroep Solis keerde de hoogste ontslagvergoeding uit, aan bestuurder Ko Portengen. Die bedroeg inclusief een loopbaantraject en loon tijdens ziekte 272.326 euro. In de toekomst mogen ontslagvergoedingen niet hoger zijn dan 75.000 euro.

Met de Wet Normering Topinkomens (WNT) probeert de overheid topsalarissen in (semi-) overheidsorganisaties te beteugelen. Uitgangspunt is dat niemand bij de overheid uiteindelijk meer mag verdienen dan een minister. De WNT kent een overgangsregeling, waardoor bestuurders tot en met 2016 hun oude topsalaris mochten behouden. Die overgangsregeling hebben vrijwel alle zorgbestuurders maximaal benut, zo blijkt uit de jaarverslagen.

Zorgmedewerkers moeten drie vakantiedagen inleveren. Als de top zich wel verrijkt, valt dat niet meer uit te leggen

Maureen van der Pligt, FNV

FNV betreurt het dat zorgbestuurders niet uit eigen beweging salaris hebben ingeleverd. ,,Bij veel zorginstellingen is personeel ontslagen en één op de twee mensen op de werkvloer klaagt over een te hoge werkdruk”, zegt vakbondsbestuurder Maureen van der Pligt. ,,Zorgmedewerkers moeten in de nieuwe CAO drie vakantiedagen inleveren. Als de top zich dan ondertussen wel verrijkt, valt dat niet meer uit te leggen.”

Bestuurders

Brancheorganisatie van zorgondernemers Actiz benadrukt dat alle zorgbestuurders zich aan de regels hebben gehouden. ,,Daar zijn we tevreden over”, zegt woordvoerder Evedien Tukkers. ,,Als brancheorganisatie bemoeien we ons niet met de vraag hoe de regels worden ingevuld. Dat is aan de bestuurders en hun Raad van Toezicht.”

Een enkele bestuurder blijkt wel uit eigen beweging geld te hebben ingeleverd. Zo stortte bestuurder Gert-Jan Waterink van stichting Zorgspectrum uit Nieuwegein ruim 52.000 euro van zijn ontslagvergoeding terug. Waterink stapte op vanwege een ‘reorganisatie van de topstructuur’ en gezondheidsproblemen. Hij kreeg een ontslagvergoeding van 146.500 euro mee. ,,Na mijn vertrek ben ik, tegen de verwachting in, grotendeels hersteld. Omdat ik als zelfstandige weer werkzaamheden kon oppakken, heb ik besloten een groot deel van mijn vergoeding terug te storten.”

Zorginstellingen

Elke organisatie moet een reserve hebben. Maar als je aan die eis voldoet, waarom dan nog meer geld wegzetten?

Maureen van der Pligt, FNV

In tijden van bezuinigingen en gedwongen ontslagen schreven zorginstellingen opnieuw miljoenen bij op hun rekening, blijkt ook uit het onderzoek. De Amsterdamse zorgorganisatie Amstelring sloot af met een positief jaarresultaat van 13,5 miljoen euro. Dat geld wordt aan de reserves toegevoegd. In totaal hebben ouderen- en thuiszorgorganisaties nu 4,1 miljard euro geparkeerd staan. Vakbondsbestuurder Van der Pligt vindt dat onbegrijpelijk: ,,Elke organisatie moet een bepaalde reserve hebben. Maar als je aan die eis voldoet, waarom zou je dan nog meer geld wegzetten? Dat geld is bedoeld om mensen te verzorgen.”

Gemiddeld besteden instellingen in de ouderen- en thuiszorg 71,2 procent van hun jaaromzet aan personeelskosten. Er zijn echter instellingen waar veel minder geld aan personeel wordt besteed. Zorginstelling Ludgerus spendeerde 34,1 procent van de jaaromzet aan haar werknemers. Dat is het laagste in de hele branche.